Fluier
FLUIER (Roem.) Kleine kernspleetfluit uit hout, zes vingergaten vooraan, soms een duimgat achteraan, in alle toonhoogtes, conische boring (de grootste fluiers noemt men ook ‘trisca cu dup’ (6 vingergaten) of ‘caval’ (5 vingergaten)). De ‘fluier gemanat’ (letterlijk: tweelingsfluier) kan bestaan uit twee samengevoegde of twee uit één blok hout gesneden pijpen. Deze heeft 4 vingergaten in de ene (melodie-) pijp, o tot 3 vingergaten in de andere (bourdon) pijp.